Michiel Vandevelde (Kunsthal Extra City – Bâtard)

Mijn functie als curator is voor mij onderdeel van mijn artistieke praktijk. Het denkproces verbonden aan het curatorschap is niet zo anders dan dat van een kunstenaar.

Ik vind het erg belangrijk dat kunstenaars zich engageren binnen bestaande instituren al was het maar om organisaties, gecreëerd voor het ondersteunen van kunst, wakker te houden.

De vraag hoe ik als kunstenaar niet louter artistiek werk kan maken maar me ook kan embedden binnen de bestaande cultuursector is voor mij dus erg relevant. Het kunstenaarschap binnen een institutie. Ik doe dit zo bij Extra City maar sinds 2012 organiseer ik bijvoorbeeld ook mee het Bâtardfestival, een festival voor en door opkomende kunstenaars. Ook binnen mijn residentie bij het Kaaitheater heb ik veel gesprekken met de directie over het instituut zelf en wat dat vandaag betekent.

Mijn know-how leerde ik vanuit de praktijk. Ik studeerde aan P.A.R.T.S. en kon reeds daar een netwerk opbouwen. Ik mocht een eerste voorstelling maken bij Fabuleus en daarna pikte de Vooruit me op. Veel zaken leerde ik echter tijdens productiejobs, zoals bijvoorbeeld bij Rosas. Ik leerde mijn eigen productie, distributie en communicatie verzorgen, wat noodzakelijk is aan het begin van je carrière als kunstenaar. Het artistieke werk is vaak maar 30% van de job, naast 70% administratie, communicatie en distributie.
Omdat ik werk als freelancer heb ik het voordeel mijn eigen baas te zijn. Ik kan dus erg flexibel werken. Ik ben iemand die snel en veel werk aanneemt, en daar moet ik soms voor oppassen.

Met al de dingen die ik doe verdien ik eigenlijk ook niet zo veel. Ik kies mijn functies vanuit de inhoudelijke richting, maar evengoed voor de ontwikkeling van bredere skills die ik als een noodzaak zie om te overleven.

Die eerste jaren zijn een grote test om te weten of je met die onzekerheid van het kunstenaarschap kan omgaan.

Wanneer je als kunstenaar samenwerkt met een curator merk je dat ze de situatie van de kunstenaar niet altijd even goed kunnen begrijpen. Je kan hen dat natuurlijk niet altijd verwijten omdat ze de positie van de kunstenaar ook niet volledig kennen. Dankzij mijn kunstenaarschap heb ik wel een zeker empathisch vermogen om de kunstenaar te begrijpen. En dat helpt me binnen mijn functie. Als kunstenaar kan je soms ook meer vrijheid nemen ten opzichte van je peers binnen het curatorschap dan wanneer je je louter opstelt als curator. Door beide posities te belichamen denk ik dat ik meer vrijheid creëer, zowel binnen het curatorschap als binnen het kunstenaarschap.

Bij Bâtard doe ik veel prospectie bij scholen en elk jaar zie ik een massa nieuwe mensen het veld binnenstromen. Er is helaas te weinig ruimte om al deze mensen een plek te geven, dus je beseft ook wel dat jouw plaats snel aan iemand anders gegeven kan worden.

Ik vind echter niet dat er ooit te veel kunstenaars kunnen zijn, er zou door de overheid extra ingezet moeten worden om meer kunstenaars een kans te geven zich verder te ontwikkelen.

Ik denk ook dat er nog heel veel mogelijkheden zijn om andere vormen van creatieve beroepen te creëren, bijvoorbeeld op stadsniveau.
Wanneer ik naar mijn collega’s kijk zijn er veel absoluut niet geïnteresseerd om andere functies op te nemen in de sector. De tekst van Daniel Buren waarin hij de vraag stelt “Where are the artists?” vind ik heel belangrijk. Door je als kunstenaar te embedden binnen organisaties kan je je moeien met het beleid dat wordt ontwikkeld, zowel op politiek niveau als het niveau van de organisatie zelf.