F.A.Q.

– update 14.10.2018: de aparte labels van 51% voor kunstinstellingen en artist-run organisaties werd vervangen door een enkel 51% label

Een korte lezing van de meest voorkomende reacties

51% is een van de vier D.I.T. (do it together) projecten ter versterking van de positie van de kunstenaar (meer over D.I.T. hier).
Vanaf de eerste 51% pitch werkt het voorstel vrij confronterend om “51% van alle betaalde functies in kunstorganisaties te laten uitvoeren door actieve kunstenaars”.
Vragen, alsook op-, aan- en bemerkingen borrelen zonder ophouden op.
Een korte lezing van de meest voorkomende reacties of 51% FAQ.

Waarom 51% en hoe kan zo’n percentage uitgewerkt worden?

51% is de kleinst mogelijke meerderheid. De opzet van 51% is het meerderheidsaandeel na te streven binnen de kunstsector én dat economische meerderheidsaandeel in handen te krijgen van kunstenaars met een actieve praktijk. De huizen van onze kunstinstellingen zijn gebouwd op de kunst van gisteren én de huizen van morgen gaan draaien op de kunst van vandaag … De voorwaarde is dat de kunstenaar vandaag overleeft en kunst blijft maken.

Wat is een actieve praktijk en wie bepaalt dat?

Elke kunstenaar die een actieve praktijk heeft weet wat het is om een actieve praktijk te hebben. Elke professional in een culturele instelling weet dat ook. Er worden geregeld systemen uitgedokterd om de activiteit van kunstenaars te proberen evalueren en valideren. Een voorbeeld uit de beeldende kunsten: actieve kunstenaars moeten tentoonstellingen (solo- of groeps-), manifestaties, opdrachten, prijzen, publicaties, … kunnen voorleggen uit de laatste paar jaren. Podiumkunstenaars kunnen gemakkelijker dan de ‘beeldende’ collega’s opdrachten voorleggen.

Als een niet-kunstenaar gaat solliciteren, brengt die een cv mee naar het sollicitatiegesprek. Indien er iets niet klopt in het cv, komt dit mogelijk tijdens het gesprek aan het licht, mogelijk pas in de praktijk van de job. Er is geen reden om een controlesysteem uit te dokteren dat vandaag ook niet nodig blijkt in de ‘gewone’, reguliere praktijk.
Het is een zaak van “in eer en geweten”.

Wat met alle mensen die nu in de culturele economie hun boterham verdienen en geen actieve kunstenaar zijn?

51% is een meerderheidsaandeelpercentage, geen homogeniteitsregel. De cijfers spreken voor zich, 51% kunstenaars laat nog steeds 49% over aan niet-kunstenaars.

Stelt 51% naakte ontslagen voor?

51% is een streefdoel. Tenzij het wordt omgezet in een opgelegde positieve discriminatieregelgeving spreken we over een beweging van bereidwilligen.

Wat met kunsthistorici? Zij bestudeerden net zo hard de kunsten als kunstenaars. Waarom horen zij niet bij de positief gediscrimineerde groep?

51% werd geformuleerd als antwoord op de open call van Kunstenpunt om acties op te zetten om de ‘positie van de kunstenaar’ te helpen versterken. Het is geen totaaloplossing voor het verwrongen economische systeem waar we in meedraaien.

Waarom wil 51% kunstenaars dwingen in een ‘gewone’ job?

Omdat het basisinkomen er nog steeds niet is voor iedereen: kunstenaars én niet-kunstenaars. Omdat de meerderheid van de actieve kunstenaars reeds gedwongen werden in ‘gewone’ jobs zoals taxibestuurder, tandartsassistent, horecamedewerker, … Vandaag (2018) worden kunstenaars niet verloond omdat ze een algemene bijdrage leveren aan de cultuur en aan de maatschappij. Enkel F-16’s worden betaald voor het ‘potentieel’ dat ze leveren. Omdat de ‘gewone’ job binnen een culturele instelling inherent een kans in zich heeft die andere ‘gewone’ jobs niet bezitten (namelijk de kans om bij te dragen aan de vorming van culturele beleving).

Willen de kunstenaars wel in culturele instellingen werken?

Sommigen.

Sommige kunstenaars willen lesgeven om hun ‘boterham’ te verdienen, of de illusie van zekerheid te creëren. Andere willen helemaal geen ‘gewone’ job naast de praktijk. Nog andere willen heel graag in culturele instellingen werken, maar liever niet in de eigen sector; maw een muzikant die in een museum wil werken, een schilder die in het theater wil werken. 51% wil de kunstenaar niet opleggen waar die moet werken noch of die überhaupt moet werken. 51% wil een grotere bereidwilligheid creëren in de culturele instellingen om kunstenaars als mensen te ondersteunen.

Ook de omgekeerde kant van de medaille is interessant om te bevragen: willen de medewerkers die nu in de culturele instellingen werken daar wel zitten?

Is 51% enkel gericht op operationele jobs?

Neen, het 51% manifest is gericht op het meerderheidsaandeel in het culturele veld. Met andere woorden: 51% beoogt evengoed het beheersniveau én streeft zo ook naar 51% in raden van bestuur — ook al zijn die functies vaak niet verloond (in tegenstelling tot wat de RVA stelt) en indien wel verloond dan zeker!

Wat met diversiteitsquota die nu al gelden (en waarmee culturele instellingen al moeilijkheden ondervinden)?

Diversiteitsquota hebben geen invloed op 51%. Kunstenaars zijn er in alle geuren en kleuren. Binnen de doelgroep van kunstenaars is er geen diversiteitsprobleem, met andere woorden: diversiteitsquota en het 51%-aandeel kan gelijktijdig aangepakt. Het is geen kwestie van ‘of’, maar van ‘en’.

Is het echte probleem niet dat er te veel kunstenaars zijn?

Zeker en vast, net zoals er te veel bankiers zijn, te veel vrijetijdsmanagers, te veel managers in ‘t algemeen, of te veel commercieel bedienden, of te veel haarstylisten, of … We zijn vandaag 8 april 2018 met 7,613,890,671 mensen op aarde. Misschien zijn dat er ook gewoon te veel?

Het verandert de positie van de kunstenaar niet.

Hebben kunstenaars wel de nodige capaciteiten om in een kunstinstelling mee te draaien?

Kunstenaars zijn er in alle hoedanigheden met diploma’s op zak uit de kunstacademie of uit de architectenopleiding, of psychotherapie, of taalwetenschap, of … Sommigen hebben zelfs doctoraatsdiploma’s op zak en anderen hebben geen diploma. Net zoals Steve Jobs (oprichter van Apple) geen diploma haalde … zijn capaciteiten werden echter niet in vraag gesteld.
De vraag kan ook in de andere richting gedraaid: hebben de mensen die momenteel onze cultuurbeleving vormgeven wel de nodige capaciteiten?

In de podium- en muzieksector gebeurt het meer dan in de beeldende dat kunstenaars ook werken in instellingen; moet het voorstel over de sectoren heen gaan?

Ja.

Cultuur gaat ook over de sectoren heen, zo ook de economie … en het leven in het algemeen. De oproep van Kunstenpunt was ook niet gespecificeerd; het ging niet over de positie van de multimedia-kunstenaar, of de dichter, of de pianist, maar van de kunstenaar (m/v/x, jong en oud).

Het laat ook meer mogelijkheden open om als dichter in het museum te gaan solliciteren, of als schilder in het huis van de auteur, als danser in het concertgebouw, …

Wat met de flexibiliteit die kunstenaars nodig hebben, en de zekerheid of stabiliteit die instellingen nodig hebben?

Wat met de flexibiliteit die elke werkgever de laatste 20–25 jaar verlangt van zijn personeel? Wat met instellingen die door tal van redenen zelf geen stabiliteit konden bieden aan hun personeel én soms aan hun publiek?

Maar inderdaad, werkgevers kijken steeds naar de toekomst van hun onderneming en verwachten/hopen dat hun medewerkers tot aan de pensioengerechtigde leeftijd aan blijven.
Die verwachting is in het reguliere circuit net zo illusoir als elders.

Het loont de moeite om de vooroordelen tegenover kunstenaars te doorbreken. Inzake de sociaal-economische positie van de kunstenaar geeft de veldanalyse van Kunstenpunt aan dat in Vlaanderen kunstenaars net zo stabiel ‘gewone’ jobs erbij nemen als ‘gewone’ medewerkers. Als de toekomstige werknemer/kunstenaar ‘plots’ doorbreekt — plots doorbreken gebeurt niet! Het vraagt jaren werk, maw iedereen kan dat zien aankomen — bestaat de kans dat die de ‘gewone’ job opgeeft. Maar, het blijft slechts een kans, net zoals de ‘gewone’ medewerker mogelijk de job opgeeft nadat die het grote lot won in de laatste lottotrekking. Statistisch gezien houdt de meerderheid van lottowinnaars hun job, of keren er later naar terug.

De flexibiliteit in termen van vol- of deeltijds werken is wel aan de orde voor de kunstenaar-medewerker. Dat vergt wel degelijk inspanningen van instellingen om voltijdse functies te gaan herbekijken. Het meest gehoorde adagio in culturele instellingen “de kunstenaar eerst” wordt steeds zonder specificatie gebruikt. Waarom het niet doortrekken in alle facetten van de culturele instellingen, maw zowel in de operationele als beheersfuncties én in het programma. Zo kan “de kunstenaar eerst” gebruikt om zowel het creatieve aspect van de kunstenaar te ondersteunen als het dagdagelijkse aspect van diezelfde kunstenaar.

Geeft Hans Op de Beeck niet nog steeds les? Ook al staan er enkele mensen op zijn loonlijst?

Wat met belangenvermenging en vriendjespolitiek eens kunstenaars voor instellingen werken?

De kunstwereld heeft nu al de reputatie dat het een ons-kent-ons wereldje is. Vaak wordt het ook gezegd door mensen uit de kunstwereld. De wereld buiten de kunstwereld kent net dezelfde mechanismen, maw het zijn geen mechanismen die eigen zijn aan een sector, maar aan het beestje: de mens. 51% staat los van vriendjespolitiek of belangenvermenging.

Maar … als kunstenaars morgen massaal aan de slag gaan in de culturele instellingen zitten we in een nieuwe wereld te werken. Wie kan er voorspellen of er dan nog belangenvermenging bestaat of vriendjespolitiek.

De meerderheid van vragen en argumenten komen vanuit het huidige denken — hoe kan het ook anders — , wat zal moeten herzien worden eens we in de nieuwe situatie zitten nl. een waar mensen hun functies kunnen scheiden van hun persoon zonder hun menselijkheid te verliezen.

Gaan kunstenaar/medewerkers geen stem willen opeisen binnen instellingen?

Laten we hopen! Lijkt dit iets negatiefs misschien? Een stem opeisen in een werkomgeving kan net zo gemakkelijk omschreven worden als ‘engagement tonen’. Kunstenaars komen met heel uiteenlopende skills!

Een medewerker die ervaring heeft met kunst-ophanging heeft mogelijk inzichten die een ander niet heeft. Of een vertaler, die zelf ook creëert, kan zich mogelijk gemakkelijker inleven in een zaaltekst. Of een danser die weet hoe het licht beter kan gebruikt op de bühne …

Hoe kan een instelling zachtjes beginnen met 51% te introduceren?

Heel gemakkelijk, door elke openstaande functie — zowel op operationeel als beheersniveau — te adverteren en te publiceren met het zinnetje “personen met een actieve kunstpraktijk (beeldende kunst, muziek, podium, …) worden gestimuleerd om te solliciteren” én vervolgens die actieve kunstenaar/sollicitanten net zo te beoordelen als de niet-kunstenaars.
Door actief te gaan zoeken naar kunstenaars om te zetelen in de beheerraad.
Door samen met HR te bekijken hoe er flexibiliteit in de functies binnen de instelling kan worden gebracht. Moet elke functie voltijds zijn? Kan die opgesplitst in twee deeltijdse betrekkingen?
Door de balans op te maken en te kijken hoeveel medewerkers er al in dienst zijn die ook actief een eigen praktijk onderhouden.
Door het 51% handvest te ondertekenen en aan de slag te gaan. (Eens het handvest ondertekend, wordt de organisatie opgenomen in de lijst en kan de organisatie het 51% label gebruiken.)

Wij zijn een artist-run organisatie en willen het 51% principe ondersteunen?

Super! In artist-run organisaties worden per definitie 51 en meer procent — vaak 100% — van de functies uitgevoerd door kunstenaars. 51% nastreven zou willen zeggen dat het percentage omlaag wordt gehaald, wat helemaal niet de bedoeling is. Contacteer 51% op info@51procent.be en we bezorgen jullie graag het label.

Wil 51% de kunstenaar herdefiniëren?

Het is eerder de definitie volledig maken. Het is makkelijk abstractie te maken van de realiteit als we over kunst en kunstenaars spreken. Net zoals koningen gaan kunstenaars ook naar het kleinste kamertje. Kunstenaars zijn per definitie mensen. Mensen die eten nodig hebben om te overleven. Er zijn duizendeneen mogelijkheden om aan die boterham te geraken.

Staan alle kunstenaars achter die 51% visie van de kunstenaar?

Hoogstwaarschijnlijk niet. Er zijn zeker kunstenaars te vinden die een dergelijke visie niet onderschrijven. Het maakt hun visie niet meer of minder correct.

Voor alle duidelijkheid, 51% is een lapmiddel op een verwrongen situatie. Een betere oplossing, die onze maatschappij zoals we die kennen (ongelijke verdeling van de middelen, monopolies, onrechtvaardige economische systemen, …) zou veranderen, blijkt de meerderheid van de bevolking, laat staan de politiek, niet klaar voor te zijn.

51% is misschien goed voor de kunstenaars, maar is het ook goed voor de kunst?

Niemand weet het. Het is een persoonlijke kwestie. Sommige kunstenaars gaan net beter werk maken eens hun tijd beperkt wordt door andere tijdrovende bezigheden én ze een bankrekening hebben die gespijsd werd. Andere kunstenaars net niet. Aan elke kunstenaar de vrije keuze.

De kunst lijdt vandaag onder veel zaken. Er zijn stemmen die stellen dat we het in België allemaal te goed hebben om nog goede kunst te kunnen maken, daarom gaan we nog niet hopen op slechtere tijden voor ons allemaal, toch? Ook in minder turbulente tijden moet kunst gemaakt die tijdloos goed is.